In de volgende generaties veranderd bij verschillende nazaten Hamming in Hammink, Hamminck of Hammingh en een enkele keer in Hamminga. De naam wordt zelfs binnen gezinnen verschillend geschreven. De geldt ook voor de naam Berent of Berend.

02.001 Aaltien (Aeltjen) Hamminck, geboren Guldenstraat Groningen 01 april 1681, en aldaar gedoopt vrijdag 11 aprilliis 1681 in de Martinikerk, dochter van Berent en Aaltien de la Haye ( 01.001)

Aaltien Hamminck

Aaltien Hamminck, dochter van Berent Hamminck en Aaltien de la Haye.

Huwde 1: Abraham Middendorp, sergeant, overleden voor 27.01.1717.

Huwde 2:  Groningen 03 (21).10.1722 Harmen Busch, geboren Groningen, sergeant in de compagnie van de Heer Captein Alberda.

Kinderen huwelijk Middendorp-Hammick:

1.  Alegonda Everdina, geboren Lutkenieuwstraatje Groningen, en aldaar gedoopt 27.01.1717 in de A-Kerk Groningen. Bij doop is Abraham Middendorp al overleden.

Op 27 januari 1717 wordt Alegonda Everdina, dochter van Aeltjen Hamming (Hamminck) dan weduwe van Sergeant Abraham Middendorp, gedoopt. Wonende Luke Nieuwstraetje bij der Aa.

02.002 Swaantie Hamminck, geboren Groningen, en aldaar gedoopt zondag 28 septembris 1683 in de Martinikerk, dochter van Berend en Aaltien de la Haye  (01.001)

Huwde: Groningen 10 aprilliis 1706 ( getuige Jan Roelfs). Tidde Doetes (Doedens), geboren 14-01-1681 Groningen, en aldaar gedoopt in de nieuwe kerk 29.09.1674, zoon van Doede Tiddes en Geesje Ruitjens (deze woonde bij ‘t Suiderdiep). Predikant te Groningen. Tidde Doetes hertrouwt met Fennegien Kamphoff.

Kinderen Doedens / Doetes:

  1. Berend
  2. Berend
  3. Marrichje
  4. Doede
  5. Aaltjen.
  6. Susanne, uit 2e huwelijk Tidde Doetes/Doedens
  7. Susanne.

Woonden: Pottenbakker, Driemolendrift en Zuiderdiep in Groningen.

02.003 Egbert Hammingh (Hamminck of Hammink), geboren Groningen, en aldaar gedoopt zondag 30 Decembris 1685 in de Aa kerk, zoon van Berend en Aaltien de la Haye (01.001), beroep raadsdienaar, overleden 28-10-1747 Poelestraat Groningen.

Egbert Hammingh en Aaltjen van Marum beide van Groningen

Ds Lambertus Bieruma, geboren 07-08-1660 Noordlaren, overleden 08-11-1734 Groningen.

Huwde:  Groningen 01-10-1726,  A- kerk ( ds. Bieruma, ds. Kock). Aaltien, ook geschreven als Aeltjen, Aaltijn of Aaltje, van Marum, geboren Groningen, en aldaar gedoopt A- Kerk 11.09.1700, dochter van Frerik Geerts van Marum en Geesjen Wallens (woonden aent Vismerkt). (Had een broer: B. van Marum en zus Geesjen van Marum).

Kinderen:

1.  Aleida (Aleijda) Hammingh, geboren Groningen over de A-brug, en aldaar gedoopt 28.4.1730 in de Martinikerk.

2.  Berent, geboren Groningen Poelestraat, en aldaar gedoopt 05.10.1731 in de Martinikerk. Jong gestorven.

3.  Frederikus Egberts, geboren Poelestraat Groningen, en aldaar gedoopt 16.05.1733 in de Martinikerk. Huwde 1757 met Swaantje Wilhelmus. Volgt 03.001

4. Aleida, geboren Poelestraat Groningen, aldaar gedoopt 24-07-1735 Grote Kerk

5.  Adriaan Hammink, geboren Poelestraat Groningen, en aldaar gedoopt 05.07.1736 Martinikerk.  volgt 03.002

6.  Bernardina Egberts, geboren Pelsterstraat Groningen, en aldaar gedoopt 1738.

7.  Berent Egberts, geboren Pelsterstraat Groningen, en aldaar gedoopt 26.05.1741 in de Martinikerk.  Volgt 03.003 (Mijn stamlijn)

Egbert Hamming verkoopt (voor 05.12.1737) aan Luitjen Harms een “ huis met een krimpjen en putte doer agter, staende in ‘ wijde van Poelestraat an de zuijdzijt op vrije eigen grond”. Zwetten ten Noorden de Poelestraat, ten Oosten en Zuiden Stephanus Bulthuis, ten Westen vaandrig Clock. De coopschad is f 1500,=. Op 29 oktober 1742 krijgt hij van Luitjen Harms en Catrina Jans van Lents f 300,= betaald en op 15 oktober 1751 f 500,= .

Gruoninga 1983-7

02.004 Teuntjen (Teuntien) Hammingh (van Termunten), dochter van Berend en Aaltien de la Haye (01.001).

Huwde 17-10-1724 Groningen Jan Rijkes, zoon van

Getuigen bij huwelijk bruidszijde: Egbert Hamming, broer; Harmen Busch, zwager; Aaltjen Hamming, zuster.

Kinderen Rijkes-Hammingh:

  1. Berent, geboren Groningen Visserstraat, gedoopt 23-09-1725 A-kerk Groningen.

02.005 Jannes (Jan) Hamminck,  geboren Groningen Boteringestraat, zoon van Willem Hamminck en Alegunda Matthay.

De naam van Alegunda wordt verschillend geschreven: Alegunda Matthay, Alegunda Matthei, Cunnegonde Mattheae, Kunne Matthae.


Toelichting 02.003 Egbert Hamminck en Aaltien van Marum:

Huis: Nieuwe Ebbingestraat Oz 33 en twee kamerwoningen daarachter aan het Boterdiep Wz
Datum: 11-5-1751
Bron: transport RA III x 136 (T1534-4070), p. 102v
Verkoper(s): Sjabbe Hindriks & Geesje Harms
Koper(s): Aaltje van Marum, wed. v. raadsdienaar Egbert Hamming
Koopsom: 2.362-0-0, w.v. 525-0-0 voor de twee kamers aan het Boterdiep
N-zwet (33): Pieter Hindriks ten Cate c.s. (35)
O-zwet: verkopers met twee kamers aan het Boterdiep
Z-zwet: Albertus Isebrants (31)
Details object: 1. behuizing met hof en verfhuis erachter in de Nieuwe Ebbingestraat Oz op stadsgrond tegen 7-6-0 pacht, en 2. twee kamers onder een dak aan het Boterdiep Wz op vrij, eigen grond, de ene voor 26-0-0 verhuurd aan Cornelis Jans en de andere voor 24-0-0/jaar aan Geesje Jans, met een mandelige
muur en vrij in- en uitgang ter weerszijden in de beide gangen en recht op de mandelige put,
N: de weduwe van Albert Meuge, Z: Albertus Peters Vorenkamp, W:verkopers
Opmerkingen: koopschat gecedeerd aan koopman Jan Tonkes Modderman c.s. ter gedeeltelijke aflossing
van een vordering van 6.300-0-0 van Modderman c.s. op verkopers;
Sjabbe Hindriks was zoon van Hindrik Peters & Frouke Sjabbes en kleinzoon van
Peter Hindriks & Jantien Jacobs; het huis is van 1666 tot 1751 door deze drie generaties bewoond en vererfd.

Grondpacht Nieuwe Ebbingestraat Oz 33
Datum: 1753-1764
Bron: T1605-2r.n.r. 1753-1764
Pachter: de weduwe van raadsdienaar Hammink [Aaltje van Marum]
Pachtsom: 7-6-0
Huis: Nieuwe Ebbingestraat Oz 33
Datum: 10-5-1764
Bron: transport RA III x 152 (T1534-4086), p. 116
Verkoper(s): vrouw Aaltje van Marum, wed. v. raadsdienaar Egbert Hamming
Koper(s): juffrouw Margaretha Radijs, wed. v. Hopman Claas Smith
Koopsom: 3.000-0-0 k.k., waarvan 2 termijnen voldaan, restant onder gereserveerde eigendom
N-zwet: Pieter Hendriks ten Cate (35)
O-zwet: verkoperse (met haar woning aan het Boterdiep Wz)
Z-zwet: Harmannus Schmaal (31)
Archeologisch bureauonderzoek Nieuwe Ebbingestraat 31 en 33 v.20170508 p. 25 van 27
Details object: haar behuizing met hof daarachter in de Nieuwe Ebbingestraat Oz op stadsgrond tegen
7-6-0 pacht, met vrije uitgang in een mandelige gang naat het Boterdiep, waarin een deur en venster in de huidige staat mogen blijven, al aanvaard op 1 mei j.l.
Met de vestiging van een erfdienstbaarheid waarbij verkoperse het recht heeft om bij ‘manquement’ van een put in de hof van het verkochte te mogen graven, mits in oude staat herstellende, gevende verkoperse voorts koperse het recht om een loden pijp in de put te leggen om te kunnen pompen, zodat de put mandelig zal zijn en zal worden onderhouden; voorts zullen de wijnstokken aan de gevel en op het dak blijven en zal koperse de eventuele schade die daardoor wordt veroorzaakt, herstellen.
Opmerking: De wijnstokken maakten als gewas deel uit van de verkochte tuin, maar groeiden tegen de westelijke (achter)gevel van het pand van verkoopster aan het Boterdiep Wz en bleven daar vermoedelijk op verzoek van de koopster staan, zodat deze de aansprakelijkheid voor eventuele schade op zich nam.

Grondpacht Nieuwe Ebbingestraat Oz 33
Datum: 1765-1769
Bron: T1605-2r.n.r. 1765-1769
Pachter: de weduwe van hopman Claas Smit [Margaretha Elisabeth Radijs]
Pachtsom: 7-6-0
Huis: Nieuwe Ebbingestraat Oz 33
Datum: 2-5-1769
Bron: transport RA III x 160 (T1534-4094), p. 81
Verkoper(s): juffrouw Margaretha Radijs, weduwe van hopman Klaas Smit
Koper(s): apotheker Abraham Deknatel & Sara de Boser
Koopsom: 3.750-0-0 w.v. de helft voldaan, de andere helft te voldoen op mei 1770
N-zwet: Pieter Hindriks ten Cate (35)
O-zwet: vrouw Aaltje van Marum, wed. raadsdienaar Egbert Hamming
Z-zwet: Harmannus Schmaal (31)
Details object: behuizing Nieuwe Ebbingestraat Oz op stadsgrond tegen 7-6-0 pacht, met een hof erachter met vrije uitgang door een mandelige gang naar het Boterdiep; deur en venster mogen blijven zoals ze nu zijn; inclusief losse planken in bedsteden en kastjes en met (het recht op) de put in het hof, zoals bij koopbrief d.d. 10-5-1764 bedongen en toegestaan Opmerkingen: de gang had in 1832 kadastraal nummer F 213; kennelijk waren de wijnranken uit 1764
inmiddels opgeruimd.

Historie Nieuwe Ebbingestraat 33. De gebruiksgeschiedenis van Nieuwe Ebbingestraat 33 in de eerste decennia na de uitgifte als huiskavel rond 1633 is met enige moeite en een slag om de arm aan de hand van de schaarse gegevens te reconstrueren. Uit het pachtregister blijkt dat de grond in 1633 gepacht werd door ene These Berends. Hij was in 1612 als schoenmakerszoon getrouwd met Grete Jacobs op de Schoolholm, waar het echtpaar ook ging wonen. Na het overlijden van Grete hertrouwde hij in 1629 met Lubbetien Hindriks. Hij is in 1633 met zijn gezin naar de Nieuwe Ebbingestraat verhuisd om de schoenmakerij in de veelbelovende nieuwe uitleg voort te zetten.

Mogelijk liet hij het huis niet zelf bouwen, maar kocht hij een pas gebouwd huis van ene Jan Coerts. Een schoenmakerij vergde geen speciale installaties in of onder het huis, maar aangezien de meeste schoenmakers in Groningen tevens leerlooier waren, heeft hij elders vermoedelijk wel looikuipen gehad. Hij is kort voor 1638 overleden en daardoor kwam zijn weduwe Lubbetien in financiële problemen. In 1638 lieten de schuldeisers beslag leggen op de inboedel en het huis van de weduwe (zie bijlage 1, nr 33: 1638), maar het kwam niet tot een executoriale verkoop.

Collega Hindrik Gerrits uit de Suupstraat (de voorloper van de Waagstraat) schoot haar te hulp en trouwde in 1639 met haar. Hij zal de schulden hebben overgenomen en gezorgd hebben voor aflossing. De pacht van de grond bleef echter tot 1655 op naam van de overleden These Berends staan! De pacht is na 1633 nooit verhoogd of verlaagd.

Tabel 3: Pachters en hun bedrijf op het pachtkavel van Nieuwe Ebbingestraat 33, 1636-na 1815.
1633-1655 Tese Berends 2& Lubb. Hindrix 2& Hindr.Gerrits 7-6-0 schoenmakerij
1656-1664 Elizabeth Ritzema 1& dr Petrus Louwens 7-6-0 moeder; verhuurde het huis
1665-1666 Jacob Helmholt & Renske Louwens 7-6-0 dochter/erfgenaam; verhuurde het huis
1667->1690 Peter Hindrix & Jantien Jacobs 7-6-0 vader; huurde al van Ritzema en Helmholt
<1720-1742 Hindrik Peters & Frouke Sjabbes 7-6-0 zoon
1743-1752 Sjabbe Hindriks & Geesje Harms 7-6-0 kleinzoon; wolkammerij
1753-1764 Aaltje van Marum, wed. E. Hamming 7-6-0 weduwe ambtenaar; woonhuis
1765-1769 Margaretha Radijs, wed. Klaas Smit 7-6-0 wed. winkelier; woonhuis
1770-1777 Abraham Deknatel & Sara de Boser 7-6-0 apotheker; verhuurde het huis
1778-1783 Gregorius de Vries &1 Maria Folkers 7-6-0 winkelier
1784-1814 Jan van Borsum &2 Maria Folkers 7-6-0 winkelier
1815 J.S. Zuiderhoek & Elsien Folkers 7-6-0 koopman; woonde hier 1807-1815

N.B. De tenaamstelling van de pacht liep niet zelden jaren door na het overlijden van de pachter! Waar mogelijk zijn namen van partners toegevoegd. De pachtsom is weergegeven in carolusguldensstuivers-plakken. Een carolusgulden telde 20 stuivers brabants en 1 stuiver telde 8 plakken.

Daarna raken we het zicht op het gebruik van het pand voor langere tijd kwijt (zie tabel 3). De volgende pachters van de grond waren beleggers en woonden elders. Zij verhuurden het huis met de tuin. Tussen 1667 en 1752 is het in bezit geweest van drie generaties uit dezelfde familie. Het waren middenstanders met een winkel (‘kremers’), mogelijk al vanaf 1667 in wollen goed.

Kleinzoon Sjabbe Hindriks dreef er nl. omstreeks 1750 een wolkammerij, waar wollen hemden, mutsen, wanten en kousen werden gebreid (afb. 10). Hij verfde de wol er ook, want op het perceel stond een ‘verfhuis’ (bijlage 1, nr. 33: 1751).
Een wolkammerij (met als belangrijkste werktuig de ‘tweernmolen’) laat geen
kenmerkende sporen in de bodem na. Een verfhuis daarentegen mogelijk wel. Als het verfhuis tegen de kamerwoningen aan het Boterdiep – die Sjabbe Hindriks ook bezat en in de verkoop deed – aan heeft gelegen, is het van het plangebied afgesplitst en later opgegaan in de pakhuizen van zuivelfabriek Hunsingo. Zo niet, dan heeft het vermoedelijk in de tuin gestaan en naderhand afgebroken. In dat geval kunnen er in het plangebied resten van verfkuipen of hun fundering in de ondergrond worden aangetroffen en kan de bodem verontreinigd zijn met
aluinaarde en natuurlijke verfstoffen.

Huis, wolkammerij en verfhuis en de achterliggende kamerwoningen aan het Boterdiep Wz werden in 1751 gekocht door een welvarende weduwe (bijlage 1, nr. 33: 1751). Zij zette de wolkammerij niet voort, maar splitste het perceel. In 1764 verkocht zij het deel Nieuwe Ebbingestraat 33 bestaande uit een huis met een tuin erachter aan een kruideniersweduwe (bijlage 1, nr. 33: 1764). Zij hield de twee kamerwoningen aan het Boterdiep en mogelijk dus ook het vroegere verfhuis, als dat pal tegen de kamerwoningen aan heeft gestaan. Op het
kadastrale minuutplan is aan het Boterdiep een complex getekend, bestaande uit de in 1751 gekochte twee kamerwoningen onder één dak (afb. 7: F 210 en F 211) en westelijk daar tegenaan een derde gebouw (afb. 7: F 212). Dit derde gebouw zou tot 1751 het verfhuis van de wolkammerij kunnen zijn geweest. Tegen de westelijke gevel van dit gebouw (F 212) hebben rond 1764 wijnranken gegroeid; in 1769 waren deze kennelijk al weer gerooid.

Een laatste detail in de transportakten uit 1751 en 1764 is de vermelding van een
gemeenschappelijke put in de tuin van Nieuwe Ebbingestraat 33 en het recht om een loden leiding van deze put naar het achterliggende huis aan het Boterdiep Wz te leggen (bijlage 1, nr. 33: 1764). Bij de ontgraving in het plangebied moet rekening gehouden worden het aantreffen van de ondergrondse resten van deze waterput en -leiding. De latere eigenaren en bewoners in de 18e eeuw waren eveneens winkeliers. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat hun bedrijvigheid sporen in het plangebied (de tuin) heeft nagelaten. In de tuin van nummer 33 heeft, achter tegen het kadastrale perceel van Nieuwe Ebbingestraat 31 aan, in de 19e eeuw een kleine opstal gestaan (zie afb. 8; voorts GrA: T44-4138 kadastrale gemeenteplan sectie F uit 1909). De functie van dit gebouwtje (schuur?) is
niet onderzocht.

Van 1962 tot 1993 was het Huisartsenlaboratorium in Nieuwe Ebbingestraat 33 gevestigd, aanvankelijk onder de naam ‘Laboratorium voor Klinisch Chemisch Onderzoek’. Het laboratorium nam na verloop van tijd “een complex van tien samengetrokken woonhuizen, winkelpanden, garages en werkplaatsen tussen de Nieuwe Ebbingestraat, de Korenstraat en het Gedempte Boterdiep” in beslag, inclusief Nieuwe Ebbingestraat 31 en de pakhuizen van de vroegere zuivelfabriek Hunsingo aan het Boterdiep (Bunt 2007, 55).

Nieuwe Ebbingestraat Groningen

Voor verdere informatie en als bron gebruikt: https://archisarchief.cultureelerfgoed.nl/. Opregte Groninger Courant 1-1-1751 (www.delpher.nl)